ITEM VIEW

Informal Capacities: Exploring grounded architectural practice in transitions to sustainable urbanism in Cape Town

dc.contributor.advisorDonaldson, Ronnieen_ZA
dc.contributor.advisorDevisch, Oswalden_ZA
dc.contributor.advisorVerbeeck, Grieten_ZA
dc.contributor.authorPerold, Philippus Rudolfen_ZA
dc.contributor.otherStellenbosch University. Faculty of Arts and Social Sciences. Dept. of Geography and Environmental Studies.en_ZA
dc.date.accessioned2018-08-06T13:28:06Z
dc.date.accessioned2018-12-07T06:46:21Z
dc.date.available2018-08-06T13:28:06Z
dc.date.available2018-12-07T06:46:21Z
dc.date.issued2018-12
dc.identifier.urihttp://hdl.handle.net/10019.1/104813
dc.descriptionThesis (PhD)--Stellenbosch University, 2018.en_ZA
dc.description.abstractENGLISH ABSTRACT: The research presented in this dissertation pertains to the role of architectural practice in the in situ upgrading of informal settlements in Cape Town, with in situ upgrading being understood as a transition to sustainable urbanism in terms of socio-technical transition theory. Two ideas guide and structure the research: the notion of ‘in[formal]ity’ as a dialectic whole to replace the dichotomy of formal vs. informal (thereby enabling architectural professionals to develop the informal capacities required to engage constructively with residents in informal settlement upgrading interventions) and the phenomenon of grounded architectural practice (GAP) as unit of analysis. I embark on a hands-on exploration of GAP – engaging with residents through live project case studies undertaken in collaboration with local organisations – so as to arrive at a better understanding of this emergent mode of architectural practice, as well as the informal capacities that architectural professionals require in order to engage with residents in such practice. The empirical data obtained during the case studies is supplemented by an analysis of existing data derived from literature reviews. As a multi-disciplinary extension of third generation activity theory (AT) that enables empirical analyses of work activity, the method of developmental work research draws together the live project case studies and AT mapping, and in doing so provides a framework for the exploration of GAP. This framework incorporates the notion of ‘in[formal]ity’ into AT, mapping the activity systems of residents and local government as networked around the partially shared object of fostering transitions to sustainable urbanism. GAP is then positioned as an intermediate ‘empty stage’ between the live project case studies and the AT mapping, and is used to capture the ideas that emerge. The latter are understood to be the informal capacities that architectural professionals employ when engaging with residents in the co-production and collaborative design of upgrading interventions. These informal capacities offer architectural professionals (who it enables to comprehend the socio-technical regime of local government as well as the informal spatial practice of residents) the opportunity to foster spatial justice by advocating on behalf of these residents in support of the in situ upgrading of their settlements as a transition to sustainable urbanism. As such, this research does not aim to develop a new model for architectural practice – doing so would require a much larger data set than the three live project case studies that inform this research – but rather to explore the informal capacities that are required and developed when engaging in GAP in the specific context of Cape Town. In doing so, I wish to contribute to the influence of this emergent niche-level practice on the regime of conventional architectural practice, thereby encouraging more architectural professionals to engage with residents in supporting informal settlement upgrading as a transition to sustainable urbanism.en_ZA
dc.description.abstractDUTCH ABSTRACT: Voorliggend doctoraatsonderzoek gaat over de rol van de architectuurpraktijk in de in-situ opwaardering van informele nederzettingen in Kaapstad, Zuid Afrika, waarbij in-situ opwaardering begrepen moet worden als onderdeel van de transitie naar duurzame stedenbouw zoals gedefinieerd binnen de socio-technische transitietheorie. Twee ideeën structureren het onderzoek: het idee van ‘in[formal]iteit’ als een dialectisch geheel dat de tweeledigheid van formeel vs. informeel vervangt (en hierdoor het architectenberoep in staat stelt om de nodige informele capaciteiten te ontwikkelen om op een constructieve wijze met inwoners samen te werken aan de opwaardering van informele nederzettingen) en het idee van de grounded architectuurpraktijk (GAP) als eenheid van analyse. Ik begin met een verkenning van GAP in de praktijk – door bezig te zijn met het uitvoeren van live project case studies in samenwerking met inwoners en plaatselijke organisaties – om zo een beter begrip te ontwikkelen van dit ontluikende type architectuurpraktijk en ook van de informele capaciteiten die architecten nodig hebben om dit in de praktijk samen met bewoners te doen. De empirische data, verzamelde tijdens deze case studies, worden aangevuld met data uit een literatuurstudie. De methode van ‘developmental work research’ – een multidisciplinaire uitbreiding van de derde generatie activiteitentheorie (AT) die een empirische analyse toelaat van activiteiten als een systeem van processen – brengt de live project case studies en de AT ‘mapping’ samen, en vormt zo een raamwerk voor de verkenning van GAP. Het uitgangspunt achter dit kader is het in kaart brengen en analyseren van de activiteitensystemen van inwoners en plaatselijke overheden als één netwerk met een (min of meer) gemeenschappelijke doelstelling, namelijk het bevorderen van de transitie naar duurzame stedenbouw. GAP wordt vervolgens gepositioneerd als een overgangsfase (‘intermediate empty stage’) tussen de live project case studies en deze analyse, en wordt gebruikt om de ideeën te visualiseren die gaandeweg naar boven komen. Deze ideeën verwijzen naar de informele capaciteiten die architecten inzetten tijdens het coproduceren en gemeenschappelijk ontwerpen van de opwaarderingsinterventies samen met bewoners. Deze informele capaciteiten bieden de architecten (die hierdoor inzicht krijgen in zowel het socio-technische regime van de plaatselijke overheden als in de informele ruimtelijke praktijken van de inwoners) de kans om ruimtelijke gerechtigheid te bevorderen door namens inwoners te pleiten voor de ondersteuning van de in-situ-opwaardering van hun nederzetting als een transitie naar duurzame stedenbouw. Het doel van dit onderzoek is dus niet om een nieuw model te ontwikkelen voor de architectuurpraktijk – dit zou een veel grotere dataset vragen dan de drie live projects die in dit onderzoek besproken worden – maar eerder om die informele capaciteiten te verkennen die nodig zijn en ontwikkeld zijn binnen GAP in de specifieke context van Kaapstad. Op deze manier wil het onderzoek bijdragen aan de impact van deze ontluikende niche-praktijk heeft op het regime van de conventionele architectuurpraktijk, en daardoor meer architecten aanmoedigen om, samen met bewoners, de opwaardering van informele nederzettingen te ondersteunen als onderdeel van de transitie naar een duurzame stedelijkheid.nl_ZA
dc.description.abstractAFRIKAANSE OPSOMMING: Die navorsing wat in hierdie verhandeling voorgelê word, handel oor die rol van argitektuur-praktyk in die in-situ-opgradering van informele nedersettings in Kaapstad, met in-situ-opgradering wat verstaan word as ’n oorgang na volhoubare stedelikheid in terme van sosio-tegniese oorgangs-teorie. Twee idees lei en struktureer die navorsing: die idee van ‘in[formal]iteit’ as ’n dialektiese geheel wat die tweeledigheid van formeel vs. informeel vervang (en sodoende lede van die argitektuurprofessie in staat stel om die nodige informele vermoëns te ontwikkel om op ’n konstruktiewe wyse met inwoners om te gaan tydens opgraderings-ingrypings in informele nedersettings) en die verskynsel van gegronde argitektuurpraktyk (GAP) as eenheid van analise. Ek neem deel aan ’n aktiewe verkenning van GAP – deur betrokke te raak by die uitvoer van lewendeprojek-gevallestudies in samewerking met inwoners en plaaslike organisasies – ten einde ’n beter begrip te ontwikkel van hierdie ontluikende tipe argitektuur-praktyk, sowel as van die informele vermoëns wat lede van die argitektuurprofessie benodig om saam met inwoners betrokke te raak by sulke praktyk. Hierdie empiriese data word aangevul deur ’n analise van bestaande data wat deur middel van literatuurstudies verkry is. As ’n multi-dissiplinêre uitbreiding van derdegenerasie-aktiwiteitsteorie (AT) wat empiriese analises van werksaktiwiteit bemoontlik, bring die ontwikkelendewerksondersoek-metode die lewendeprojek-gevallestudies en AT-kartering byeen, en verskaf dit sodoende ’n raamwerk vir die verkenning van GAP. Hierdie raamwerk inkorporeer die idee van ‘in[formal]iteit’ in AT, en karteer die aktiwiteitsisteme van inwoners en plaaslike owerhede as genetwerk rondom die gedeeltelik-gedeelde doelwit om oorgange na volhoubare stedelikheid te bevorder. GAP word vervolgens geposisioneer as ’n intermediêre ‘leë verhoog’ tussen die lewendeprojek-gevallestudies en die AT-kartering, en word gebruik om idees wat na vore kom, vas te vang. Laasgenoemde word verstaan as die informele vermoëns wat deur lede van die argitektuurprofessie aangewend word tydens hul betrokkenheid by die ko-produksie en gesamentlike ontwerp van opgraderings-ingrypings saam met inwoners. Hierdie informele vermoëns bied aan lede van die argitektuur-professie (wat daardeur in staat gestel word om die sosio-tegniese regime van plaaslike owerhede sowel as die informele ruimtelike praktyk van inwoners te begryp) die geleentheid om ruimtelike geregtigheid te bevorder deur namens inwoners te pleit ter ondersteuning van die in-situ-opgradering van hul nedersettings as ’n oorgang na volhoubare stedelikheid. Gevolglik poog hierdie navorsing nie om ‘n nuwe model vir argitektuurpraktyk te ontwikkel nie – om dít te vermag vereis ’n veel groter datastel as die drie lewende projekte waarop hierdie navorsing berus – maar eerder om die informele vermoëns te verken wat benodig en ontwikkel word tydens GAP in die spesifieke konteks van Kaapstad. Sodoende wil ek bydra tot die invloed van hierdie ontluikende nisvlakpraktyk op die regime van konvensionele argitektuurpraktyk, en daardeur meer lede van die argitektuurprofessie aanmoedig om, tesame met inwoners, informelenedersettings-opgradering as ’n oorgang na volhoubare stedelikheid te ondersteun.af_ZA
dc.format.extentxxviii, 340 pages : illustrationsen_ZA
dc.language.isoen_ZAen_ZA
dc.publisherStellenbosch : Stellenbosch Universityen_ZA
dc.subjectInformal settlements (Squatter settlements) -- Development -- Cape Town (South Africa)en_ZA
dc.subjectArchitectural practice -- Cape Town (South Africa)en_ZA
dc.subjectSustainable urban development -- Cape Town (South Africa)
dc.subjectUCTD
dc.titleInformal Capacities: Exploring grounded architectural practice in transitions to sustainable urbanism in Cape Townen_ZA
dc.typeThesisen_ZA
dc.rights.holderStellenbosch Universityen_ZA


Files in this item

Thumbnail
Thumbnail

This item appears in the following Collection(s)

ITEM VIEW